Geloven is natuurlijk

Dat het leven gekenmerkt wordt door de verrichting van handelingen is evident, want wat geen handelingen verricht, in de meest brede betekenis, leeft niet. Het is op deze basis dat de steen niet-levend geacht wordt maar de plant die drinkt, ademt en groeit wel. Men kan verder waarnemen dat de levende wezens een verscheidenheid van handelingen verrichten in het leven. Dat de handelingen van de mens in het teken staan van de realisatie van een doel, en dus een reden hebben, is duidelijk zo mag men aannemen, want niemand doet iets voor niets. Minder duidelijk is misschien het feit dat de reden voor de handelingen van de mens altijd te maken heeft met de menselijke natuur, maar dit valt te beargumenteren.


Wanneer de handelingen eten en drinken in het teken staan van beëindiging van de ervaring van honger en dorst, dan is het doel van deze handelingen de bevrediging van de behoefte van de mens aan eten en drinken. De reden voor deze handelingen is dan het bestaan van een behoefte aan voeding in ieder mens. Net zo kennen de handelingen van ademen, ontlasten1 en slapen als doel bevrediging van een menselijke behoefte, zijnde behoefte aan zuurstof, ontlasting en slaap; en als reden het bestaan in de mens van een behoefte aan zuurstof, ontlasting en slaap. Al de mensen kennen deze behoeften, zo is een feit blijkens de waarneming dat al de mensen deze handelingen verrichten en de waarneming dat niemand van de mensen zonder handelingen als dezen in leven kan blijven. Immers, bij het voor langere tijd onbevredigd blijven van één van deze behoeften zal het leven van de mens op den duur eindigen, en dit is de reden dat deze behoeften op de mens inwerken als een drijfveer voor het verrichten van handelingen. Deze waarnemingen tonen daarmee aan dat de handelingen met betrekking tot de bevrediging van de behoeften voeding, zuurstof, ontlasting of slaap in feite natuurlijke handelingen zijn voor de mens. Deze behoeften horen bij het menselijke organisme, reden waarom zij de organische behoeften genoemd kunnen worden. Deze organische behoeften zijn dus een onderdeel van de menselijke natuur, en omdat zij horen bij de menselijke natuur horen ook de handelingen ter bevrediging van deze organische behoeften bij de menselijke natuur.


Nu is het inderdaad zo dat de organische behoeften niet al de handelingen die de mens verricht kunnen verklaren. Niet al de handelingen van de mens, immers, staan in het teken van bevrediging van de organische behoeften. Bijvoorbeeld, wanneer een moeder haar eigen leven waagt om het leven van haar kind te beschermen, dan kan dit onmogelijk verklaard worden door verwijzingen naar de organische behoeften. En wanneer de mens reageert bij de ervaring van een bedreiging, of dit nu is door niets te doen, of door te vluchten, of door te vechten, dan kan ook dit niet toegeschreven worden aan de ervaring van één van de organische behoeften. Maar, dit maakt het gedrag dat los staat van de organische behoeften nog niet tot onnatuurlijk.


Omdat het heel normaal is om te zien dat ouders het eigen leven in dienst stellen van het leven van het nageslacht, en omdat geen ouder iets anders wenst voor het nageslacht dan een goed leven (het enigste dat verschilt tussen ouders zijn de ideeën over wat een goed leven is en hoe dit voor het nageslacht gerealiseerd kan worden), moet erkend worden dat ouders allen een behoefte voelen aan welzijn voor hun nageslacht. Uit het feit dat deze ervaring gedeeld wordt door al de ouders van alle tijden blijkt reeds dat de ervaring van deze behoefte natuurlijk is in de ouder. Hierbij geldt dan hetzelfde voor het handelen op basis van de ervaring van deze behoefte, ook dit is dan natuurlijk voor de ouder. Betreffende de reden voor deze ervaring, deze specifieke behoefte is niet een op zichzelf staand iets. Deze behoefte staat in directe relatie tot andere behoeftes die de mens ervaart, zoals de behoefte aan seksuele relaties en de behoefte aan genegenheid en liefde. Immers, seksuele relaties zijn de methode van voortplanting, en de mooiste en krachtigste liefde is de liefde die een ouder voelt voor zijn kind. Uit hun onderlinge samenhang blijkt dat al deze drie specifieke behoeftes in feite uitingen zijn van een meer algemene drijfveer voor handelen, zijnde het voortplantingsinstinct in de mens. De mate waarin kan verschillen, maar de waarneming vertelt dat al de mensen deze drie specifieke behoeftes ervaren, die op hun beurt weer op verschillende manieren bevredigd kunnen worden. Niemand voelt zich gelukkig wanneer één van de uitingen van het voortplantingsinstinct ervaren wordt maar onbevredigd blijft, ten gevolge waarvan iedereen door de ervaring van één van deze behoeften gedreven wordt tot de verrichting van handelingen in een poging hen te bevredigen. En wederom, uit het feit dat al de mensen het voortplantingsinstinct als drijfveer voor handelen kennen blijkt dat het voortplantingsinstinct hoort bij de menselijke natuur, ten gevolge waarvan de handelingen met betrekking tot het voortplantingsinstinct niet anders benoemd kunnen worden dan natuurlijke handelingen voor de mens.


Hetzelfde geldt voor de behoefte aan verwijdering van bedreiging, die de mens ervaart op het moment dat hij een bedreiging ervaart. Hoewel de oorzaak voor een gevoel van bedreiging van mens tot mens kan verschillen is een leven onder bedreiging voor ieder mens onacceptabel en voor ieder mens een aanzet tot het verrichten van handelingen. Dus net zoals ieder mens gedwongen is om handelingen te verrichten ter bevrediging van zijn organische behoeften, handelingen om het menselijke organisme in stand te houden; en net zoals de mens gedwongen wordt om handelingen te verrichten ter bevrediging van de instinctieve behoeften die resulteren uit het voortplantingsinstinct; voelt de mens zich naar zijn natuur gedwongen om te werken aan de verwijdering van de ervaren bedreigingen. Ook deze handelingen moet men derhalve als natuurlijk classificeren. Met andere woorden, de waarneming vertelt tevens dat de mens een overlevingsinstinct kent als drijfveer voor handelen, omdat ieder mens altijd in reactie op de ervaring van een bedreiging handelingen verricht om deze bedreiging te verwijderen, wat aangeeft dat de mens een behoefte ervaart om deze bedreiging verwijdert te zien. Dus ook een overlevingsinstinct is onderdeel van de menselijke natuur, en dus handelen op basis van de ervaring van dit overlevingsinstinct.


Zo kan men een groot deel van het leven van de mens reeds begrijpen, zoals bijvoorbeeld wanneer de mens gaat werken. Dit kan zijn met als doel het geld te verdienen dat nodig is om zijn eten en drinken te kunnen kopen, en dus een ingegeven zijn door de organische behoefte aan voeding. Of het kan zijn met als doel het geld te verdienen dat nodig is om de luxe te kunnen kopen waarmee het individu hoopt het andere geslacht te kunnen beïndrukken, en dus ingegeven zijn door de instinctieve behoefte aan liefde of seksuele relaties. Of het kan zijn met als doel de vergaring van bezit, het verlangen waartoe een uiting van het overlevingsinstinct is. Of met als doel de realisatie van een positie van aanzien onder de mensen, welk verlangen zowel uit het overlevingsinstinct kan resulteren als uit het voortplantingsinstinct. Het werkelijke doel van deze handeling is dus afhankelijk van de intentie waarmee het individu de handeling verricht, maar dit willekeurige voorbeeld maakt duidelijk dat al de mogelijke doelstellingen onlosmakelijk verbonden zijn met de besproken organische behoeften en instincten.


Wat dan nog rest van de menselijke handelingen die waargenomen kunnen worden maar die niet door deze behoeften en instincten verklaard kunnen worden, zijn die handelingen die verricht worden op het moment dat de mens zich onmachtig voelt, oftewel op het moment dat de mens zich zijn eigen afhankelijkheid en behoeftigheid realiseert. Handelingen zoals die van de tiener die een brief schrijft aan een beroemde popster of atleet en hem of haar zijn probleem voorlegt met een smeekbede tot raad, tot advies, tot hulp. Of de handeling van de mens die in reactie op de ervaring van de eigen afhankelijkheid en behoeftigheid, dus de realisatie van een behoefte aan hulp en leiding, zich probeert in te beelden hoe zijn persoonlijke held -de grote filosoof wiens boeken hij bestudeerd heeft, of de stichter van de natie waarvan hij zich deel voelt en in wiens traditie hij wenst te leven- met de kwestie omgesprongen zou zijn. Of de handeling van degene die zichzelf altijd atheïst heeft genoemd maar die, wanneer het schip aan boord waarvan hij zich bevind ten onder dreigt te gaan, de handen ineen vouwt en om hulp bidt tot de macht die hem zou kunnen helpen, zonder precies te weten wie of wat dit zou kunnen zijn. En inderdaad, onder deze categorie vallen ook de handelingen die gerekend worden tot religie en geloof, de handelingen van aanbidding. De handeling van bijvoorbeeld de gelovige christen die op zondag de gang naar de kerk maakt of die voor en na de maaltijd zijn God in oprechtheid dankt. En de handeling van de moslim die zijn slaap onderbreekt om vroeg in de ochtend voor het zichtbaar worden van de zon een gebed te verrichten voor zijn illah2 . Zij zijn allen handelingen gericht tot hetgeen als machtig wordt gezien, in erkenning van de eigen onmacht, in de hoop deze macht te kunnen behagen zodat om hulp gevraagd kan en mag worden, en zodat op hulp gerekend mag worden.


Dit zijn handelingen die niets te maken hebben met de organische behoeften, of het voortplantingsinstinct, of het overlevingsinstinct. Het zijn voorbeelden van handelingen die te maken hebben met de realisatie bij de mens van de eigen onmacht in het groter geheel der dingen. Niet ieder mens erkent zijn eigen onmacht in gelijke mate of op gelijk moment, maar wanneer de mens zichzelf bewust wordt van zijn eigen onmacht dan voelt eenieder de behoefte tot het verzoeken van hetgeen hij niet-onmachtig acht. Een behoefte tot aanspreken van hetgeen hij niet-onmachtig acht en een behoefte tot behagen van hetgeen hij niet-onmachtig acht, om deze te kunnen verzoeken in de hoop hulp, steun en leiding te mogen verkrijgen van deze macht.

In het denken van de mensen worden enkel de handelingen in reactie op de realisatie van de eigen onmacht die zich richten tot een metafysisch wezen -een Oermacht- gerekend tot aanbidding. Op deze basis wordt dan door sommigen het oordeel gevormd dat niet al de mensen gedrag van aanbidding vertonen. Maar zoals het voorgaande heeft bedoelt te beargumenteren is het niet juist om de definitie van aanbidding af te laten hangen van hetgeen tot wie de handeling gericht wordt. Juister is het om de reden voor de handeling tot maatstaf te nemen bij het bepalen van aanbidding, en wanneer men deze juiste basis hanteert dan ziet men in dat ieder mens handelingen van aanbidding verricht. Want ieder mens realiseert zich op enig moment in zijn leven zijn eigen onmacht en wendt zich in reactie hierop, gebruik makend van een verscheidenheid aan handelingen, tot iets dat hij niet-onmachtig (of minder onmachtig) acht. Dus het is onvermijdelijk dat ieder mens op enig moment in zijn leven handelingen van aanbidding verricht, want ieder mens is zodanig onmachtig en afhankelijk dat het onmogelijk is dat hem dit nooit duidelijk zal worden.


De reactie op de realisatie van deze onmacht, de behoefte tot het aanroepen van iets machtigers, is bij ieder mens gelijk en dus moet erkend worden dat deze reactie natuurlijk is in de mens. Ieder mens ervaart een behoefte aan aanbidding wanneer hij zich de eigen onmacht realiseert, wat een uiting is van een aanbiddingsinstinct in de mens. Het gedrag van aanbidding, oftewel het zoeken naar en verzoeken van degene die niet-onmachtig is, dat sommigen dus als irrationeel betitelen is daarom eveneens natuurlijk voor de mens, net zoals eten en drinken natuurlijk is. Want het is een reactie op een onderdeel van de menselijke natuur, zijnde het aanbiddingsinstinct.


Het aanbrengen van een onderscheidt tussen organische behoeften en instinctieve behoeften zoals dit hierboven gedaan is, is zowel natuurlijk als noodzakelijk daar alhoewel beiden de eigenschap delen dat zij de mens aanzetten tot handelen in het leven, beiden hiernaast tevens specifiek eigen eigenschappen -oftewel karakteristieken3 - kennen. Ten eerste, voor de behoeften geldt dat in afwezigheid van bevrediging de dood het onvermijdelijke gevolg zal zijn. Voor de instincten daarentegen geldt dat het onbevredigd blijven enkel leidt tot een gevoel van ongenoegen, en niet de dood. Wanneer de instinctieve behoefte aan liefde onbevredigd blijft dan zal dit een gevoel van ongelukkig zijn te boven brengen in de mens, maar het zal niet de dood veroorzaken. Wanneer de behoefte aan slaap niet bevredigd kan worden zal uiteindelijk ten gevolge hiervan de dood zich voor doen.


En ten tweede, de ervaring van de behoeften komt van binnenuit de mens en kan niet door iets buiten de mens aangewakkerd worden, terwijl de instincten niet van binnenuit de mens komen maar enkel door iets buiten de mens aangewakkerd kunnen worden. Eenmaal de organische behoefte aan voeding gestild is zal het aanschouwen van iets lekkers als koekjes en gebak niet een echt gevoel van honger meer kunnen aanwakkeren. De maag zal niet opnieuw beginnen met knorren, zogezegd. Bovendien is deze behoefte aan voeding autonoom, in de zin dat het komt zonder dat dit beïnvloed kan worden: het kan noch opgeroepen worden, noch uitgesteld wanneer het zich openbaart. Maar de instinctieve behoefte aan seksuele relaties komt enkel wanneer iets de mens herinnert aan seksuele relaties. Zolang de gedachten bezig zijn met iets anders, zoals pogingen de organische behoefte aan voeding te bevredigen, ervaart de mens deze instinctieve behoefte niet. En in tegenstelling tot de organische behoeften kan iets dat doet herinneren aan seksuele relaties de behoefte aan seksuele relaties boven doen komen, ook al is deze instinctieve behoefte misschien nog maar net bevredigd.


Wanneer men in gedachte houdt dat de handelingen van de mens altijd een doel kennen en dus een reden hebben, dan kan men ook inzien dat deze redenen altijd terugvoeren tot de menselijke natuur, de organische en instinctieve behoeften. De aanbidding, het geloof en de religie, zijn dus natuurlijke gedragingen voor de mens, want zij zijn een reactie een onderdeel van zijn natuur, de behoefte tot verzoeken van de Almacht op het moment van ervaren van de eigen onmacht. De mens is onmachtig en afhankelijk, en gezien zijn natuur moet hij op enigerlei wijze reageren op de realisatie van deze onmacht. Men mag het geloof, dat een reactie is op deze realisatie, dus niet op voorhand terzijde schuiven als achterlijk, het onderdrukken en het negeren. Want dit impliceert onderdrukking en negeren van de menselijke onmacht die toch voor iedereen een feit is. In plaats van deze hautaine reactie die de menselijke onmacht en afhankelijkheid feitelijk ontkent zou een meer constructieve reactie zijn het zoeken naar een antwoord op de vraag "hoe moet de mens reageren op de realisatie van zijn eigen onmacht?".

___________

[1] Ontlasten: verwijderen uit het lichaam van onverteerbare elementen in de voeding en andere afvalstoffen.[2] Illah: Arabische term gebruikelijk vertaald door God, maar die buiten God tevens inhoudt "Schepper", "Degene die Ordent" en "Degene die Rechtspreekt".[3] Karakteristieken zijn die eigenschappen van een feit waarover geen enkel ander feit beschikt. Met andere woorden, karakteristieken definiëren het feit, in tegenstelling tot een eigenschap waarover ook andere feiten kunnen beschikken. Haargroei is een voorbeeld van een eigenschap van de mens, en de behoefte aan aanbidding is een karakteristiek voor de mens omdat geen enkel ander wezen dit kent.

Waarom toch is in de westerse wereld discussie of zelfs denken over geloof tot in de sferen van taboe verdreven, tot het punt dat mensen zich schamen om anderen uit te nodigen naar hun geloof? Een belangrijke reden hiervoor is het idee dat het bestaan van een Oermacht ontkent en de macht en invloed die dit heeft vergaard. Volgens de aanhangers ervan is religie en aanbidding van een Oermacht typerend voor de pre-moderne, irrationele en onwetende mens. En onder invloed van dit idee is geloven bij velen synoniem geworden voor irrationeel en achterlijk, ouderwets en onbegrijpelijk, wat veel mensen angstig maakt om te discussiëren over hun geloof, bang om dan zelf met irrationeel en achterlijk geassocieerd te worden.

Een andere belangrijke reden is de komst van het idee van secularisme, het idee van scheiding van religie van het leven. Dit idee stelt dat te allen tijde de mens zelf het leven vorm moet geven, en dat vooral een Oermacht -of deze nu bestaat of niet- zich hiermee niet mag bemoeien. Deze opvatting heeft de behoefte aan en de noodzaak tot discussie over religie en aanbidding weggenomen, omdat het de Oermacht irrelevant maakt: Zijn bestaan of niet bestaan doet er niet toe, Hij mag zich toch nergens mee bemoeien. Deze twee ideeën zijn de voornaamste redenen voor de min of meer volledige verdwijning uit het publieke leven van discussie en denken over geloof.

Betreffende dit laatste idee, het seculier idee, eigenlijk volstaat het volstrekt niet als argument om het denken en discussiëren over geloof te laten. De onjuistheid van dit argument dat stelt dat geloof irrelevant is voor het leven, schuilt in het feit dat ieder geloof als fundamenteel onderdeel kent het geloof in verantwoordelijkheid voor de daden, oftewel het geloof in een beoordeling van de mens na het huidige leven door de Oermacht. Dus men kan feitelijk geloof niet erkennen zonder tevens de rol van geloof in het leven te erkennen. Geloven is geloven in beoordeling van het leven van de mens door de Oermacht, oftewel bestraffing en beloning van de mens door de Oermacht, dus men kan niet geloof accepteren en tegelijkertijd stellen dat het zich niet met het leven mag bemoeien zoals het secularisme wel doet. Derhalve zou het idee van secularisme, deze immense tegenstrijdigheid die in haar verscholen gaat door geloof te erkennen en tegelijkertijd de fundamentele karakteristiek van geloof te ontkennen, zou de mens dus eigenlijk aan moeten zetten tot meer discussiëren en denken over geloof, in plaats van hem hier van weg te houden.


Degenen die het idee aanhangen dat het bestaan van een Oermacht ontkent zijn van mening dat geloof een uitvinding van de mensen zelf is, een overblijfsel uit de tijd dat de mens door gebrek aan kennis zijn realiteit niet kon begrijpen. Men verkondigt de opvatting dat de pre-moderne mens in al zijn onwetendheid de religie heeft gecreëerd, in een poging iets van controle te krijgen over de realiteit. Met een religie kon al dat niet begrepen werd aan de Oermacht toegeschreven worden, zodat men tenminste in de schijn kon leven dat dingen begrepen werden. Als zodanig ontbeert het geloof volgens deze mensen dus niet een reden voor bestaan maar eerder een noodzaak voor bestaan. Geloven was nuttig toen de mens niets wist, en dit onbegrip was de reden voor het bestaan van geloof, want geloof was de enigste manier van omgaan met de onwetendheid. Maar in de huidige moderne tijd bestaat wetenschap en bestaat de grote onwetendheid van vroeger niet meer, stellen deze mensen, en in plaats van zich te wenden tot geloof kan de mens zich nu wenden tot de wetenschap om dingen te begrijpen. Met andere woorden, geloven is niet langer noodzakelijk want in de wetenschap bestaat er tegenwoordig een alternatief. Maar ook deze verklaring voor het continue bestaan van geloof onder ieder volk, overal op aarde, op iedere moment in de geschiedenis van de mensheid, weet allerminst te overtuigen.


Want immers, is het niet zo dat ook nu in de tijd van wetenschap, heel veel mensen, waaronder de grootsten van wetenschappers, nog altijd geloven? En buiten dit, het is belangrijk om in te zien dat de wetenschap de mens weliswaar ver vooruit heeft gebracht, maar dat het de mens toch zeker niet tot alwetendheid heeft geleid. En aan deze realiteit gaan de degenen voorbij die wetenschap als het superieure alternatief voor geloof zien. De wetenschap heeft de mens in staat gesteld om dingen te begrijpen, in de zin dat door middel van de wetenschap bijvoorbeeld de reden voor een zonsverduistering begrepen kan worden - de maan bevindt zich dan tussen zon en aarde. Maar de wetenschap kan nog altijd slechts gissen naar waarom aarde, maan en zon allen in de vaste baan bewegen die er toe leidt dat af en toe een zonsverduistering plaats vindt.


Degenen van onder de ontkenners van de Oermacht die deze blijvende beperking van de wetenschap wel erkennen zijn veelal geneigd om hierop te reageren door te stellen dat alhoewel de wetenschap alles nog niet alomvattend verklaren kan, dit nog geen reden is om te geloven in het bestaan van een Oermacht, omdat gezien de continue ontwikkeling in de wetenschap te verwachten is dat op enig later moment de wetenschap wel de alomvattende verklaring zal kunnen bieden. Dit argument voor ontkenning van de Oermacht, echter, is de ware liefhebber van de wetenschap onwaardig omdat zij hoogst onwetenschappelijk is. In de wetenschap behoort men eerst en vooral objectief te zijn. Maar dit argument sluit op voorhand een mogelijke verklaring voor de waarneming uit, zonder dit verder te kunnen beargumenteren, en dit is niet objectief. Het is onwetenschappelijk de mogelijkheid dat een Oermacht bestaat bij voorbaat reeds te verwerpen zonder over feitelijke onderbouwing hiervoor te beschikken.


Samenvattend, wanneer men het bestaan van geloof accepteert dan kan men niet vervolgens zeggen dat dit geloof er niet toe doet in het leven, want ieder geloof vereist van de gelovige dat zij tot middelpunt van het leven genomen wordt. Het seculier argument is derhalve geen argument om discussie over geloof te laten. Integendeel, haar antwoord op bijvoorbeeld de vraag "moet de mens geloven?" zijnde "het doet er niet toe", versterkt in de mens feitelijk het verlangen om te discussiëren over geloof. En men kan en mag zeggen dat geloof irrationeel is omdat er niet zoiets als een Oermacht bestaat, en dat voor deze reden niet over geloof gediscussieerd zou moeten worden, maar een stelling als deze zou met argumenten onderbouwd moeten worden. Enkel wanneer deze argumenten ijzersterk zijn, van het niveau dat ze ieder mogelijk argument voor een andere opvatting van tafel vegen, dan zou een reden bestaan om discussie over geloof te laten voor wat het is. Maar geen van de voorstanders van deze opvatting heeft ooit dergelijke argumenten aan kunnen dragen.


Kortom, ook al bestaat er een taboe rond geloof, denken over geloof, oproepen tot geloof en zelfs discussiëren over geloof, definitieve argumenten ter rechtvaardiging van dit taboe bestaan niet. Er bestaat dus nog altijd een reden voor discussie en denken over geloof, ja zelfs een noodzaak tot discussie en denken over geloof. Discussie over geloof zou daarmee alles behalve dood moeten zijn zoals het nu is, en veel eerder levendig en opwindend. Want zeer zeker, voor het wezen met verstand is de grootste schande dat zonder zekerheid -dus zonder te hebben gediscussieerd en nagedacht!- voortgegaan wordt in het leven, willekeurig welk idee betreffende de Oermacht is geaccepteerd.


Deze publicatie wenst zich dan ook niets aan te trekken van de heersende opinie betreffende discussie over geloof. Om zekerheid over geloof terug duidelijk te maken zal het beargumenteren dat geloven niet hoort bij de enkel onwetende mens, maar dat het hoort bij de mensheid ongeacht de stand van wetenschap en kennis. Het zal beargumenteren dat geloven in feite natuurlijk is voor de mens. Ten tweede zal het beargumenteren dat geloven een noodzakelijkheid is voor de mens, en dat juist de denkende mens dit in zal kunnen zien. En ten derde, om zekerheid in geloof mogelijk te maken zal het uiteenzetten hoe de mens behoort te denken over geloof.


In de hoop vervolgens tezamen met de lezer de weg naar het juiste geloof te kunnen bewandelen.

Previous article Next article